Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde middel
3.Beoordeling van de namens de benadeelde partij ingediende schriftuur
4.Beslissing
11 oktober 2016.
Hoge Raad
In deze strafzaak is de verdachte veroordeeld voor meervoudige oplichting en valsheid in geschrift. Het hof heeft de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte destijds in staat van faillissement verkeerde. Na opheffing van het faillissement wegens gebrek aan baten, bleef onduidelijk welk deel van de vorderingen in het faillissement was meegenomen.
Het hof oordeelde dat het nader onderzoeken van deze vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren en verklaarde de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk in hoger beroep. Wel stelde het hof vast dat de benadeelde partijen schade hadden geleden doordat zij reissommen hadden betaald voor niet gemaakte reizen en legde het hof schadevergoedingsmaatregelen op op grond van artikel 36f Sr.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof niet onjuist heeft geoordeeld door de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, ondanks de niet-ontvankelijkheid van de vorderingen, omdat de aansprakelijkheid van de verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht vaststond. De Hoge Raad wijst tevens op een misverstand van het hof omtrent de betekenis van de verificatie van vorderingen in het faillissement na opheffing wegens gebrek aan baten.
Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en de klacht van de benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een stellige en duidelijke klacht over een rechtspunt.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de oplegging van schadevergoedingsmaatregelen ondanks niet-ontvankelijkheid van benadeelde partijen wegens faillissement.