ECLI:NL:HR:2016:2319

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2016
Publicatiedatum
11 oktober 2016
Zaaknummer
16/00803
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 4:18 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtbankuitspraak over overdrachtsbelasting en dwangsom

Belanghebbende verkreeg op 31 mei 2011 de eigendom van een onroerende zaak en betaalde op 27 juni 2011 overdrachtsbelasting. Zij maakte bezwaar tegen het betaalde bedrag. Na uitgebreide correspondentie verklaarde de Inspecteur het bezwaar ongegrond en wees een verzoek tot toekenning van een dwangsom af op grond van de Awb.

De Rechtbank oordeelde dat geen ingebrekestelling had plaatsgevonden zoals vereist voor een dwangsom. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wees het hoger beroep af, maar de Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond, vernietigde het arrest van het hof en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen proceskosten aan de partijen opgelegd. De uitspraak volgt de motivering zoals vermeld in een aan dit arrest gehecht geanonimiseerd arrest met nummer 16/00801.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt het hofarrest en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Uitspraak

14 oktober 2016
Nr. 16/00803
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 29 december 2015, nr. 14/00850, op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 12/3490) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen voorgesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft op 31 mei 2011 de eigendom verkregen van een onroerende zaak. Te dier zake heeft zij op 27 juni 2011 op aangifte een bedrag aan overdrachtsbelasting voldaan.
2.1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het op deze aangifte voldane bedrag.
2.1.3.
Vervolgens is tussen de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur uitvoerig gecorrespondeerd over dit bezwaar.
2.2.
Bij uitspraak van 21 juni 2012 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. Hierbij heeft hij, op grond van het bepaalde in artikel 4:18 van Pro de Awb, beslist dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor toekenning van een dwangsom in de zin van artikel 4:17 e.v. van de Awb. Op het hiertegen door belanghebbende ingestelde beroep heeft de Rechtbank beslist dat geen ingebrekestelling in de zin van die bepaling heeft plaatsgevonden.
2.3.
De middelen slagen op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 16/00801 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2016.