ECLI:NL:HR:2016:2348

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2016
Publicatiedatum
13 oktober 2016
Zaaknummer
16/02488
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest hof over verwijtbaarheid boedelachterstand bij tussentijdse beëindiging WSNP

De zaak betreft de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP) van verzoeker wegens het ontstaan van een boedelachterstand. De rechtbank Den Haag had de regeling beëindigd omdat verzoeker onvoldoende afdrachten had gedaan, waarbij het hof dit oordeel bekrachtigde en verwijtbaarheid aannam omdat verzoeker bewust geen boedelafdrachten verrichtte vanwege de financiële situatie van zijn partner.

Verzoeker stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het rekening hield met het inkomen van zijn partner bij het bepalen van het vrij te laten bedrag, terwijl die partner zelf in een schuldhulptraject zat en geen inkomsten had. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet kenbaar op dit verweer was ingegaan, terwijl dit essentieel was voor de beoordeling van verwijtbaarheid.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. Hiermee werd het oordeel over de verwijtbaarheid van de boedelachterstand en de gevolgen daarvan open gelaten voor een nieuwe beoordeling.

De uitspraak benadrukt het belang van een volledige motivering bij de toepassing van art. 350 lid 3 onder Pro c Fw, waarbij de persoonlijke en financiële omstandigheden van de schuldenaar en diens partner zorgvuldig moeten worden betrokken.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.

Uitspraak

14 oktober 2016
Eerste Kamer
16/02488
AS/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Weerden.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer C/09/14/469 R van de rechtbank Den Haag van 11 maart 2016;
b. het arrest in de zaak 200.187.772/01 van het gerechtshof Den Haag van 3 mei 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

3.Beoordeling van het middel

3.1
Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 14 oktober 2014 is op [verzoeker] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
3.2.1
Op voordracht van de rechter-commissaris heeft de rechtbank de schuldsaneringsregeling van [verzoeker] beëindigd zonder verstrekking van een schone lei op de grond dat [verzoeker] te kort is geschoten in de nakoming van zijn verplichting alle inkomsten boven het vrij te laten bedrag af te dragen.
3.2.2
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft daartoe overwogen – voor zover in cassatie van belang – dat [verzoeker] valt te verwijten dat hij een boedelachterstand van € 10.134,83 heeft laten ontstaan. [verzoeker] heeft immers verklaard dat hij bewust geen boedelafdrachten heeft verricht omdat hij er voor had gekozen de lasten van de gezamenlijke huishouding alleen op zich te nemen, dit omdat zijn partner in een schuldhulptraject zat. Niet aannemelijk is dat de nakoming van de verplichtingen bij een eventuele voortzetting van de schuldsaneringsregeling in voldoende mate is gewaarborgd. De extra afdracht die [verzoeker] bij maximale verlenging van de schuldsaneringsregeling moet opbrengen om de boedelachterstand in te lopen, is dermate hoog dat te vrezen valt dat [verzoeker] deze afdracht niet tot het einde kan opbrengen, gelet ook op eerdere verkeerde keuzes die hij heeft gemaakt. Dat [verzoeker] door het arrest van het hof mogelijk zijn baan verliest, is geen reden anders te beslissen aangezien [verzoeker] de boedelachterstand bewust heeft laten ontstaan. (rov. 4)
3.3
Het middel klaagt dat het hof zijn oordeel over de verwijtbaarheid van het ontstaan van het boedeltekort onvoldoende heeft gemotiveerd, althans dat zijn oordeel onbegrijpelijk is. Ter onderbouwing daarvan wijst [verzoeker] erop dat het hof niet (kenbaar) is ingegaan op het betoog van [verzoeker] dat zijn (toenmalige) partner op haar beurt schulden had en bezig was schuldhulpverlening te verkrijgen en dat om die reden bij de berekening van het vrij te laten bedrag ten onrechte rekening is gehouden met het inkomen van zijn partner.
3.4
Deze klacht treft doel. Het hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat voor de toepassing van de beëindigingsgrond van art. 350 lid Pro 3, aanhef en onder c, Fw is vereist dat de schuldenaar van zijn gedragingen een verwijt kan worden gemaakt (HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0455, NJ 2009/270). Het hof heeft verwijtbaarheid aangenomen op de grond dat [verzoeker] bewust ervoor had gekozen als enige de lasten van de gezamenlijke huishouding op zich te nemen, dit omdat zijn partner in een schuldhulptraject zat. Het hof is echter niet (kenbaar) ingegaan op het verweer van [verzoeker] dat zijn partner niet over inkomsten beschikte, terwijl daarvan wel was uitgegaan bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag. Dit verweer is van belang voor het oordeel over de vraag of [verzoeker] van zijn gedragingen een verwijt kan worden gemaakt. Door hierop niet (kenbaar) in te gaan, is het arrest van het hof onvoldoende gemotiveerd. Dit geldt daardoor eveneens voor de daarop voortbouwende oordelen dat niet aannemelijk is geworden dat de nakoming van de verplichtingen bij een voortzetting van de schuldsaneringsregeling in voldoende mate is gewaarborgd en dat de omstandigheid dat [verzoeker] als gevolg van de beëindiging van de schuldsanerings-regeling mogelijk zijn baan verliest, geen reden is om anders te beslissen.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 3 mei 2016;
verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
14 oktober 2016.