Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Slotsom
4.Beslissing
25 oktober 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte, een ongewenst verklaarde vreemdeling, was ontslagen van alle rechtsvervolging wegens het niet naleven van de vertrekverplichting uit Nederland.
Het hof oordeelde dat verdachte buiten zijn schuld niet aan de vertrekverplichting kon voldoen, mede gelet op de mislukte uitzettingspoging naar Somalië en het ontbreken van reisdocumenten. Het hof stelde vast dat verdachte geen verzet had geboden tegen uitzetting en dat de Nederlandse autoriteiten tevergeefs hadden geprobeerd een laisser passer te verkrijgen. Het hof vond het aannemelijk dat terugkeer onmogelijk was en ontsloeg verdachte daarom van rechtsvervolging.
De Hoge Raad herhaalt de relevante rechtspraak dat een vreemdeling verplicht is Nederland uit eigen beweging te verlaten, tenzij aannemelijk is dat hij daartoe buiten zijn schuld niet in staat is. De Hoge Raad stelt vast dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd of verdachte zelf inspanningen heeft verricht, bijvoorbeeld om reisdocumenten te verkrijgen. Hierdoor is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd.
De Hoge Raad vernietigt het ontslag van rechtsvervolging en de strafoplegging voor het betreffende feit en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling en afdoening. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken op 25 oktober 2016.
Uitkomst: Het ontslag van rechtsvervolging wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling.