Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3 Beslissing
1 november 2016.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin hij werd veroordeeld voor poging tot doodslag. Het hof had geoordeeld dat sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van zijn ex-vriendin door met een mes stekende bewegingen te maken richting haar bovenlichaam.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld aan de hand van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie, waarbij het schriftelijk standpunt van de Advocaat-Generaal ontbrak. Na beoordeling concludeerde de Hoge Raad dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de verdachte onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad tijdens een openbare terechtzitting op 1 november 2016.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard door de Hoge Raad.