Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
16 februari 2016.
Hoge Raad
In deze zaak hebben klaagsters beroep ingesteld tegen een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland die hun klaagschrift tot teruggave van drie inbeslaggenomen auto's ongegrond verklaarde. De rechtbank oordeelde dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave omdat het beslag noodzakelijk is voor het aan de dag brengen van de waarheid in het lopende witwasonderzoek.
De rechtbank baseerde zich op tapgesprekken waaruit bleek dat verdachte [betrokkene 1] een contactpersoon is van [betrokkene 2] en betrokken is bij de aanschaf, financiering en verzekering van de voertuigen, die op naam van een B.V. staan. Dit wekte het vermoeden dat de voertuigen worden verhuld en verborgen, waardoor het beslag moest voortduren.
De raadsman van klaagsters voerde aan dat zij te goeder trouw zijn en dat verbeurdverklaring alleen mogelijk is als de rechtmatige eigenaar op de hoogte was van criminele activiteiten. De rechtbank vond echter dat zij zich niet hoefde uit te laten over de mogelijkheid van verbeurdverklaring omdat het beslag ex art. 94 Sv Pro was gelegd en voortgezet moest worden.
De Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank een juiste maatstaf heeft toegepast en het belang van strafvordering terecht zwaarder heeft gewogen dan het belang van teruggave. Het beroep werd daarom verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van de inbeslaggenomen auto's.