ECLI:NL:HR:2016:2505

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2016
Publicatiedatum
3 november 2016
Zaaknummer
16/01831
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 20b lid 3 Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak over navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting en boetebeschikkingen

De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake navorderingsaanslagen, boetebeschikkingen en een beschikking op grond van artikel 20b lid 3 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 opgelegd aan belanghebbende [X] B.V.

Eerder had de Hoge Raad op 11 mei 2012 een arrest gewezen waarbij het arrest van het Gerechtshof Arnhem werd vernietigd en de zaak werd verwezen naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling met inachtneming van dat arrest.

In het onderhavige cassatieberoep heeft de Staatssecretaris twee middelen voorgesteld, maar de Hoge Raad oordeelt dat deze middelen niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie is geen nadere motivering vereist omdat de middelen geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en legt geen proceskosten op. Tevens wordt aan de Staatssecretaris een griffierecht van €503 opgelegd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

4 november 2016
Nr. 16/01831
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof 's‑Hertogenboschvan 26 februari 2016, nrs. 12/00241 tot en met 12/00244, betreffende aan
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) opgelegde (navorderings)aanslagen in de vennootschapsbelasting, de daarbij gegeven boetebeschikkingen, en de daarbij gegeven beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 3, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

1.Het eerste geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 11 mei 2012, nr. 10/02114, ECLI:NL:HR:2012:BW5389, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem (nrs. 05/00152 tot en met 05/00155), met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen voorgesteld.

3.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2016.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 503.