Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
8 november 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 dagen wegens het telen van ongeveer 200 hennepplanten en het stelen van elektriciteit. Het hof baseerde zich op art. 22b Sr, dat sinds 3 januari 2012 de oplegging van taakstraffen beperkt, en oordeelde dat een taakstraf niet mogelijk was.
De Hoge Raad stelde vast dat het bewezenverklaarde feit deels vóór de inwerkingtreding van art. 22b Sr was gepleegd. Volgens het overgangsrecht van deze wetswijziging is art. 22b Sr niet van toepassing op feiten gepleegd vóór 3 januari 2012. Het hof had dit niet in acht genomen en daarmee het toepasselijke sanctierecht onjuist toegepast.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling en strafoplegging. Het overige beroep werd verworpen. De zaak betreft de juiste toepassing van overgangsrecht en beperkingen in het opleggen van taakstraffen bij recidive en ernstige misdrijven.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wat betreft de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe beoordeling.