ECLI:NL:HR:2016:2634

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2016
Publicatiedatum
17 november 2016
Zaaknummer
15/04992
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak hof over vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding in dividendbelastingzaak

Belanghebbende, een B.V., was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over een naheffingsaanslag dividendbelasting over 1997 en een daarbij behorende boetebeschikking. Na een uitspraak van de rechtbank werd hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Het hof deed uitspraak op 17 september 2015, waarbij onder meer een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen.

Belanghebbende stelde tegen het hofarrest beroep in cassatie bij de Hoge Raad, waarin vier middelen werden aangevoerd. De Hoge Raad oordeelde dat drie middelen niet tot cassatie konden leiden en dat het vierde middel slaagde op grond van een andere zaak met hetzelfde partijenkader (nr. 15/04983).

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de beslissing op het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding betreft. De zaak werd verwezen naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling van dat verzoek. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten in cassatie.

Deze uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en tijdige behandeling van belastingzaken en bevestigt dat overschrijding van de redelijke termijn kan leiden tot vergoeding van immateriële schade. De zaak is daarmee niet inhoudelijk over de belastingaanslag beslist, maar over procedurele aspecten van de termijnoverschrijding.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard en de zaak wordt terugverwezen voor behandeling van het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

18 november 2016
Nr. 15/04992
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof 's-Hertogenboschvan 17 september 2015, nr. 10/00882, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 06/5801) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 1997 opgelegde naheffingsaanslag in de dividendbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij vier middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
De middelen 1, 2 en 3 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.2.
Middel 4 slaagt op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 15/04983 tussen dezelfde partijen uitgesproken arrest van de Hoge Raad.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 15/04909, 15/04910 en 15/04983 tot en met 15/04986 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, voor zover het betreft de beslissing op het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn,
verwijst het geding voor de behandeling van dat verzoek naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een zevende van € 1488, derhalve € 212,58, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2016.