Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
22 november 2016.
Hoge Raad
De betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het middel van cassatie richt zich echter op een beslissing in een samenhangende strafzaak en voldoet niet aan de vereisten van een duidelijk en stellige klacht over schending van rechtsregels of vormvoorschriften.
Daarnaast heeft de betrokkene niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman een schriftuur met middelen van cassatie ingediend, hetgeen een vereiste is volgens art. 437, tweede lid, Sv. Hierdoor kan de betrokkene niet in het beroep worden ontvangen.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Hoge Raad volgt dit advies en verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het cassatieberoep. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet-naleving van art. 437, tweede lid, Sv.