Het Hof heeft de verdachte, die ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde 18 jaar oud was, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 136 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. De motivering van de strafoplegging houdt het volgende in:
"De verdediging heeft betoogd dat bij het bepalen van de strafmaat aansluiting moet worden gezocht bij het adolescentenstrafrecht.
Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaren maar nog niet die van drieëntwintig jaren heeft bereikt, de rechter, indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, recht doet overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht.
Het adolescentenstrafrecht is echter slechts van toepassing op feiten die zijn gepleegd vanaf 1 april 2014, zodat reeds om die reden dit strafrecht niet toegepast kan worden ten aanzien van feit 1.
Niet is gebleken dat de persoonlijkheid en ontwikkeling van verdachte ten tijde van het begaan van het onder 2 bewezen verklaarde feit afwijkt van die van zijn leeftijdsgenoten. Evenmin zijn er omstandigheden waaronder voornoemd feit is gepleegd gesteld of gebleken die nopen tot toepassing van een jeugdsanctie. Het hof ziet derhalve geen grond als bedoeld in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht om tot toepassing van het jeugdsanctierecht over te gaan en zal verdachte derhalve berechten conform het volwassenenstrafrecht.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich met een ander schuldig gemaakt aan uitermate laakbare feiten. Naar het zich laat aanzien hebben de verdachte en zijn mededader uitsluitend uit geldelijk gewin de slachtoffers van hun bezittingen beroofd. Door aldus te handelen heeft de verdachte met zijn mededader inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en geen respect getoond voor hun eigendommen.
Dergelijke feiten brengen doorgaans nadelige psychische gevolgen voor het slachtoffer met zich mee en dragen bij aan gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving.
Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 25 februari 2015 is de verdachte eerder voor strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt. Voorts weegt het hof ten nadele van de verdachte mee dat hij het onder 2 bewezen verklaarde feit heeft gepleegd tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis van het onder 1 bewezen verklaarde feit.
Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van na te melden duur passend en geboden."