Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
4.Beslissing
29 november 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een 18-jarige verdachte die op 2 januari 2014 medepleegde aan diefstal met geweld. Het hof veroordeelde hem tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, waarbij het adolescentenstrafrecht niet werd toegepast. Dit omdat de wetswijziging die het adolescentenstrafrecht uitbreidt naar jongeren tot 23 jaar pas geldt voor feiten gepleegd na 1 april 2014.
De verdediging stelde dat het adolescentenstrafrecht ook op hem van toepassing moest zijn, maar het hof oordeelde dat de overgangsbepalingen dit niet toestaan. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en herhaalde dat bij wetswijzigingen die na het begaan van het feit zijn ingevoerd, de voor de verdachte gunstigste bepalingen moeten worden toegepast, maar dat in dit geval het nieuwe adolescentenstrafrecht niet gunstiger is dan het oude.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de strafoplegging door het hof passend was, mede gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het werd gepleegd en de eerdere veroordelingen van de verdachte.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de 18-jarige verdachte op basis van het volwassenenstrafrecht voor een feit gepleegd vóór 1 april 2014.