Belanghebbende, bestuurder en enig aandeelhouder van een holding die op haar beurt bestuurder is van een BV met een uitzendbureau, werd aansprakelijk gesteld voor onbetaalde loonbelasting en premie volksverzekeringen over de periode mei 2005 tot en met december 2007. De BV kreeg naheffingsaanslagen opgelegd na een boekenonderzoek, die onherroepelijk werden bevestigd door de rechtbank.
De BV had een deel van de aanslagen voldaan, waaronder betalingen van een saldo op een G-rekening en een teruggaaf omzetbelasting, waarvan een deel niet correct was toegerekend. Belanghebbende werd aansprakelijk gesteld voor het resterende bedrag. Het Hof oordeelde dat de Inspecteur niet alle stukken had overgelegd maar verbond hieraan geen gevolgen. Het Hof vond dat eerdere onherroepelijke uitspraken over de aanslagen de aansprakelijkstelling beperkten.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onvoldoende heeft gereageerd op het belanghebbendes standpunt dat de ontbrekende stukken relevant zijn voor de vraag of hem een verwijt kan worden gemaakt en of de BV opzet of grove schuld heeft. Tevens is de toerekening van betalingen door het Hof onjuist beoordeeld. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling. De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep.