Uitspraak
allen wonende te [woonplaats] ,
kantoorhoudende te Rotterdam ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
2 december 2016.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om de uitleg van artikel 37 van Pro de Faillissementswet (Fw) in het kader van aannemingsovereenkomsten gesloten door een failliete aannemer. De curator had de aannemingsovereenkomsten niet gestand gedaan en vorderde betaling van de eerste termijn van de aanneemsom voor werkzaamheden die vóór het faillissement waren verricht.
De Hoge Raad bevestigt dat het verbod voor de curator om nakoming te vorderen bij niet-gestanddoen van de overeenkomst niet ziet op de tegenprestatie die betrekking heeft op reeds vóór het faillissement verrichte prestaties. Dit betekent dat de curator nakoming kan vorderen voor dat deel van de prestaties dat al is geleverd, mits de prestaties en tegenprestaties deelbaar zijn.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de kopers terecht een beroep deden op verrekening van de vordering van de curator met een schadevergoedingsvordering, ook al was deze niet ter verificatie ingediend en ontbrak een schriftelijke verrekeningsverklaring. De eerdere vrijwaring door Woningborg staat een beroep op verrekening niet in de weg.
Het arrest vernietigt het eerdere hofarrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling. De curator wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug, waarbij wordt bevestigd dat de curator nakoming kan vorderen voor prestaties vóór faillissement en dat verrekening zonder verificatie mogelijk is.