Belanghebbende, een B.V., stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 oktober 2015, waarin het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland over de aanslag vennootschapsbelasting 2010 werd behandeld.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en een conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling concludeerde de Hoge Raad dat de klachten van belanghebbende niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was geen nadere motivering nodig, omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.
De Hoge Raad oordeelde verder dat er geen gronden waren voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest werd op 2 december 2016 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad, waarmee het beroep in cassatie ongegrond werd verklaard.