Belanghebbende heeft bij brief van 5 mei 2016 ter zake van betaling van het griffierecht in cassatie een beroep op betalingsonmacht gedaan. Dientengevolge is hem door de griffier van de Hoge Raad (hierna: de griffier) bij brief van 9 mei 2016 een conceptverklaring en verzoek om informatie met betrekking tot inkomen en vermogen toegezonden. Deze verklaring diende ingevuld en gestaafd met aanvullende stukken, aan de Hoge Raad te worden geretourneerd binnen de daarvoor in de brief van de griffier gestelde termijn van twee weken. In deze brief is er tevens op gewezen dat bij niet tijdige of onvolledige inzending van de verzochte gegevens en stukken het beroep op betalingsonmacht zal worden afgewezen en ook dat geen nieuwe gelegenheid zal worden geboden tot aanvulling van het formulier of de gegevens.
Op 13 mei 2016 is een door belanghebbende opgemaakte en ondertekende verklaring ter griffie van de Hoge Raad ingekomen. Deze verklaring bevat echter niet de verzochte informatie en evenmin zijn stukken bijgevoegd als verzocht in de brief van de griffier van 9 mei 2016. Het beroep op betalingsonmacht is vervolgens afgewezen bij brief van de griffier van 23 mei 2016. Tevens is in deze brief meegedeeld dat bij niet tijdige betaling van het griffierecht alsnog, het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk kan worden verklaard.
Bij brieven van 24 juni 2016 en 28 juli 2016 heeft belanghebbende zijn beroep op betalingsonmacht herhaald. Ook die brieven bevatten niet de gegevens en stukken als bedoeld in de brief van de griffier van 9 mei 2016. Deze herhaalde verzoeken zijn door de griffier eveneens afgewezen.
De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 13 juli 2016, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres, gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 15 augustus 2016, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres, in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na de dagtekening van deze brief mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Hetgeen belanghebbende in zijn brieven van 13 mei 2016, 24 juni 2016 en 28 juli 2016 heeft aangevoerd, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende ter zake van het niet betalen van het griffierecht niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.