Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de namens de verdachte voorgestelde middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
6 december 2016.
Hoge Raad
In deze strafzaak gaat het om het voortzetten van het opnemen van telecommunicatie op een telefoonnummer waarvoor geen nieuwe machtiging was verleend, nadat duidelijk werd dat de verdachte de gebruiker was geworden. Het hof had geoordeeld dat sprake was van een onherstelbaar vormverzuim en dat de verkregen bewijzen moesten worden uitgesloten, wat leidde tot vrijspraak van de verdachte voor twee tenlastegelegde witwasfeiten.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof over het vormverzuim, maar oordeelt dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom bewijsuitsluiting het passende rechtsgevolg is. De Hoge Raad herhaalt de criteria uit eerdere jurisprudentie omtrent de afweging van belangen bij bewijsuitsluiting, waarbij onder meer het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel voor de verdachte worden meegewogen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het betrekking heeft op de vrijspraak en strafoplegging van de twee witwasfeiten en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting. De overige beroepen worden verworpen. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij bewijsuitsluiting en het naleven van de wettelijke toetsingsmomenten bij het gebruik van dwangmiddelen zoals telefoontaps.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor de witwasfeiten met transactienummers 22 en 26 en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.