De erfgenamen van de overledene hebben beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam betreffende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting over de jaren 1990 tot en met 2000, inclusief beschikkingen over heffingsrente.
Eerder had de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof ’s-Gravenhage vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest. In het tweede cassatiegeding heeft de Hoge Raad de klachten van belanghebbenden beoordeeld maar deze niet ontvankelijk verklaard voor cassatie, omdat de klachten geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien tot het opleggen van proceskosten en heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2016.