Uitspraak
[X]te
[Z]tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 21 november 2014, nr. 14/00240, ECLI:NL:HR:2014:3341.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 19 februari 2016 uitspraak gedaan over een verzoek tot herziening van een arrest van 21 november 2014. Het verzoek betrof een zaak binnen het bestuursrecht en belastingrecht. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het verzoek ontvankelijk was.
De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek geen behandeling in cassatie rechtvaardigde, omdat de verzoekende partij klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het verzoek. Daarnaast was hetgeen in het verzoekschrift was aangevoerd niet geschikt om tot herziening van het eerder gewezen arrest te leiden.
Gelet op artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal, verklaarde de Hoge Raad het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, en in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang en ongeschiktheid van het verzoek tot herziening.