ECLI:NL:HR:2016:2836

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2016
Publicatiedatum
9 december 2016
Zaaknummer
15/02672
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in aansprakelijkheidszaak bank wegens zorgplicht en verjaring

In deze zaak stond de aansprakelijkheid van Staalbankiers N.V. en Achmea Bank Holding N.V. centraal wegens vermeende schending van de zorgplicht in het kader van een constructie met betrekking tot handel in beursgenoteerde aandelen en de opzegging van een bancaire kredietrelatie.

De procedure begon bij de rechtbank Den Haag, waarna het gerechtshof Den Haag op 3 maart 2015 arrest wees. Tegen dit arrest stelde 23 April B.V. cassatieberoep in bij de Hoge Raad, terwijl Staalbankiers c.s. voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep instelden.

De Hoge Raad overwoog dat de klachten van 23 April B.V. niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het voorwaardelijk incidentele beroep werd hierdoor niet behandeld.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep van 23 April B.V. af en veroordeelde haar tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Staalbankiers c.s. Het arrest werd uitgesproken op 9 december 2016 door de vice-president Numann en raadsheren Streefkerk, Snijders, Polak en Kroeze.

Uitkomst: Het cassatieberoep van 23 April B.V. wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

9 december 2016
Eerste Kamer
15/02672
LZ/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
23 APRIL B.V.,
gevestigd te Den Haag,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaten: mr. R.P.J.L. Tjittes en mr. J.W. de Jong,
t e g e n
1. STAALBANKIERS N.V. ,
gevestigd te Den Haag,
2. ACHMEA BANK HOLDING N.V.,
gevestigd te Den Haag,
VERWEERSTERS in cassatie, eiseressen in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. F.E. Vermeulen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als 23 April en Staalbankiers c.s.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak C/09/430939/HA ZA 12-1328 van de rechtbank Den Haag van 27 maart 2013 en 31 juli 2013;
b. het arrest in de zaak 200.137.406/01 van het gerechtshof Den Haag van 3 maart 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft 23 April beroep in cassatie ingesteld. Staalbankiers c.s. hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor Staalbankiers c.s. mede door mr. B.F.L.M. Schim.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De advocaat van 23 April heeft bij brief van 21 oktober 2016 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt 23 April in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Staalbankiers c.s. begroot op € 848,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, G. Snijders, M.V. Polak en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president E.J. Numann op
9 december 2016.