Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
13 december 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor meerdere woninginbraken en de diefstal van een auto. Tegen dit arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Namens de verdachte diende advocaat R.J. Baumgardt middelen van cassatie in. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten onvoldoende waren om behandeling in cassatie te rechtvaardigen. De klachten konden niet tot cassatie leiden en de partij had onvoldoende belang bij het beroep. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 13 december 2016, waarbij vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en E.F. Faase het arrest wezen. Hiermee bleef het arrest van het hof in stand en werd het cassatieberoep afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard door de Hoge Raad.