Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 29 december 2015, waarin het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak over een op aangifte voldaan bedrag aan belasting op personenauto's en motorrijwielen werd behandeld.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën, een conclusie van repliek van belanghebbende en een conclusie van dupliek van de Staatssecretaris. Na beoordeling van het ingediende middel oordeelde de Hoge Raad dat het middel niet tot cassatie kon leiden.
Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was geen nadere motivering vereist, omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad achtte geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd op 16 december 2016 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.