Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
19 februari 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond de tussentijdse beëindiging van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) centraal, op grond van artikel 350 van Pro de Faillissementswet wegens het niet voldoen aan de sollicitatie- en informatieplicht.
De verzoeker had tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beroep in cassatie ingesteld. De Procureur-Generaal stelde zich op het standpunt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO).
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat verzoeker klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien deze omstandigheden en het advies van de Procureur-Generaal verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.
Het arrest werd op 19 februari 2016 gewezen door de raadsheren Streefkerk, Snijders en Tanja-van den Broek en in het openbaar uitgesproken door raadsheer de Groot.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en gebrek aan cassatiegronden.