Art. 6:6 AwbArt. 8:119 AwbArt. 80a Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid verzoek tot herziening arrest inkomstenbelasting 2008
Belanghebbende verzocht de Hoge Raad om herziening van het arrest van 24 april 2015 betreffende een aanslag inkomstenbelasting en heffingsrente over 2008. Het oorspronkelijke beroep in cassatie werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift niet tijdig was aangevuld met de vereiste gronden.
Belanghebbende had een brief gedateerd 2 januari 2015 ingediend, maar deze werd pas op 6 januari 2015 ontvangen, waardoor de termijn van zes weken om het verzuim te herstellen was verstreken. De Hoge Raad onderzocht of er sprake was van een bijzonder, niet aan belanghebbende toe te rekenen verzuim bij de postverzending.
Uit onderzoek bij PostNL bleek dat de brief op 2 januari 2015 om 17:34 uur was aangetekend op een retaillocatie, maar pas de eerstvolgende werkdag werd opgehaald en verwerkt. Dit was een normale gang van zaken en geen bijzondere vertraging. Daarom werd het arrest niet vervallen verklaard.
De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek geen behandeling in cassatie rechtvaardigde omdat het geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatte zoals vereist in artikel 8:119 AwbPro. Het verzoek werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het arrest wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
Uitspraak
23 december 2016
nr. 16/04281
Arrest
gewezen op het verzoek van [X]te [Z](hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de Hoge Raad der Nederlandenvan 24 april 2015, nr. 14/05658, ECLI:NL:HR:2015:1118, betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2008 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. Een afschrift van het verzoek is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening
1.1.
In het arrest waarvan herziening wordt verzocht is geoordeeld dat het ingediende beroepschrift in cassatie niet de gronden van het beroep bevatte en dat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld dat verzuim binnen zes weken te herstellen, welke termijn eindigde op 5 januari 2015. Omdat de op 6 januari 2015 ingekomen brief, gedateerd 2 januari 2015, te laat is ontvangen, is het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
In de brief van de griffier waarin belanghebbende is uitgenodigd het aan het beroep in cassatie klevende verzuim te herstellen, is vermeld: “Ik wijs u nadrukkelijk op het volgende. Het stuk moet binnen de evenvermelde termijn alhier zijn ontvangen. Eventuele vertraging bij verzending per post is voor uw eigen risico.”
1.3.
Het onderhavige verzoek tot herziening van voormeld arrest is aanleiding geweest om te onderzoeken of een bijzonder, niet aan belanghebbende toe te rekenen verzuim bij de verzending door PostNL heeft plaatsgevonden. Een bevestigende beantwoording van die vraag zou weliswaar niet tot toewijzing van het herzieningsverzoek kunnen leiden, maar zou wel aanleiding kunnen zijn tot het vervallen verklaren van het arrest waarop het verzoek ziet.
Na onderzoek door de griffier van de Hoge Raad bij PostNL is komen vast te staan dat de brief van belanghebbende op vrijdag 2 januari 2015 om 17:34 uur als aangetekend stuk is geadministreerd op een retaillocatie van PostNL. Aldaar waren op die dag rond 17:00 uur de poststukken opgehaald. Daardoor is de brief van belanghebbende pas de eerstvolgende werkdag, maandag 5 januari 2015, opgehaald. Na verwerking in een regionaal sorteercentrum is de aangetekende brief in de nacht van maandag 5 op dinsdag 6 januari 2015 naar Den Haag vervoerd, waar deze om 4:37 uur als “Beschikbaar voor postbushouder” is geadministreerd.
1.4.
Uit het vorenstaande volgt dat geen sprake is geweest van een bijzondere, niet te voorziene gang van zaken bij de verzending van de brief van 2 januari 2015 door PostNL. Er is daarom geen reden om naar aanleiding van het herzieningsverzoek het arrest vervallen te verklaren.
1.5.
De Hoge Raad is van oordeel dat het ingediende verzoek overigens geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat het klaarblijkelijk niet tot herziening van voormeld arrest en derhalve niet tot cassatie kan leiden, aangezien het verzoekschrift geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, lid 1, van de Awb behelst.
De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
2.Beslissing
De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2016.