Uitspraak
1.De bestreden beschikking
2.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
4.Beslissing
20 december 2016.
Hoge Raad
Klaagster heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland inzake een klaagschrift op grond van art. 552a Sv. De rechtbank had klaagster niet-ontvankelijk verklaard voor zover de goederen waarop het beklag betrekking had reeds waren teruggegeven, en het beklag voor het overige ongegrond verklaard.
De Hoge Raad beoordeelt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en overweegt dat de rechtbank aannemelijk heeft gemaakt dat de goederen waarop geen conservatoir beslag rust, niet langer onder beslag liggen en reeds zijn teruggegeven. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk gelet op de feiten en omstandigheden en het ontbreken van een nadere toelichting van klaagster of haar raadsman.
Gelet op art. 134, tweede lid, Sv, kan klaagster niet worden ontvangen in haar cassatieberoep voor zover het betrekking heeft op de teruggegeven goederen. De Hoge Raad verklaart daarom het cassatieberoep niet-ontvankelijk.
De beschikking is gegeven door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken in openbare terechtzitting op 20 december 2016.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het cassatieberoep wegens teruggegeven goederen.