Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 10 juni 2016, nr. 16/01016, ECLI:NL:HR:2016:1164.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 23 december 2016 uitspraak gedaan over het verzoek tot herziening van het arrest van 10 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1164). Het verzoek werd ingediend door belanghebbende en betrof een herziening op grond van artikel 8:119, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Hoge Raad heeft het verzoek beoordeeld op ontvankelijkheid en geoordeeld dat het verzoek geen behandeling in cassatie rechtvaardigt. Dit omdat het verzoekschrift geen nieuwe feiten of omstandigheden bevat die herziening van het eerder gewezen arrest kunnen rechtvaardigen. Hierdoor kan het verzoek niet tot cassatie leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier en in het openbaar.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan nieuwe feiten of omstandigheden.