Belanghebbende, een vennootschap, was geconfronteerd met een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000, inclusief een beschikking inzake heffingsrente. Na een uitspraak van de Rechtbank Breda volgde hoger beroep bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en een conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling van de ingebrachte middelen oordeelde de Hoge Raad dat deze niet tot cassatie konden leiden. Artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie bood geen aanleiding tot nadere motivering, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad besloot geen proceskosten aan belanghebbende toe te kennen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president Overgaauw en raadsheren Van Vliet en Punt op 15 januari 2016, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.