AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt dat bestuursrechter niet hoeft te beslissen over wijze van uitbetaling proceskostenvergoeding
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, waarin het hof de heffingsambtenaar veroordeelde tot betaling van proceskosten aan belanghebbende. Het geschil betrof een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag onroerendezaakbelasting over 2013.
Het hof oordeelde dat het niet aan de bestuursrechter is om te beslissen over verzoeken betreffende de wijze van uitbetaling van de proceskostenvergoeding, bijvoorbeeld betaling aan een ander dan de belanghebbende zelf. Dit oordeel werd aangevochten in cassatie.
De Hoge Raad verwierp het middel en stelde dat uit artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) noch uit andere wettelijke bepalingen volgt dat de bestuursrechter gehouden is te beslissen over dergelijke verzoeken. Tevens achtte de Hoge Raad geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten.
Daarmee verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep ongegrond en bevestigde zij het oordeel van het hof. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en op 26 februari 2016 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de bestuursrechter niet hoeft te beslissen over de wijze van uitbetaling van proceskostenvergoedingen.
Uitspraak
26 februari 2016
nr. 15/03096
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X]te [Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haagvan 22 mei 2015, nr. BK‑15/00141, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 14/1268) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Bergambacht voor het jaar 2013 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar een ten aanzien van belanghebbende bij beschikking vastgestelde waarde van een onroerende zaak en een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2013 gehandhaafd. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank.
2.1.2.
Belanghebbende heeft in hoger beroep de uitspraak van de Rechtbank bestreden.
2.2.1.
Het Hof heeft de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende tot een bedrag van € 2074. Het heeft daarbij onder meer geoordeeld dat het in een procedure als deze niet aan het Hof is een oordeel te geven over een verzoek het bedrag aan proceskostenvergoeding over te maken naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Tegen dit oordeel richt zich het middel.
2.2.2.
Het middel faalt. Uit artikel 8:75 AwbPro, noch uit enige andere wettelijke bepaling volgt dat de bestuursrechter is gehouden op een dergelijk verzoek te beslissen.
3.Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4.Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2016.