Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
13 december 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens het rijden in een onverzekerde auto. Hij stelde in cassatie dat hem in redelijkheid niet te verwijten viel dat hij met een onverzekerde auto reed, mede omdat de eigenaar en tenaamgestelde, die niet in het bezit was van een rijbewijs, ook in de auto zat. De verdachte voerde aan dat het huidige systeem waarbij de tenaamgestelde automatisch wordt beboet en de bestuurder niet, niet meer van deze tijd is en dat het onredelijk is om van incidentele bestuurders te verlangen dat zij diepgaand onderzoek doen naar de verzekeringsstatus van het voertuig.
De Hoge Raad oordeelde echter dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. De Hoge Raad verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheid van de tenaamgestelde voor de verzekeringsplicht en dat de wettelijke bepalingen van de WAM onverkort van toepassing zijn, ook op de bestuurder. De Hoge Raad bevestigt dat het huidige systeem van automatische controle en beboeting van de tenaamgestelde rechtmatig is en dat de bestuurder zich voldoende moet vergewissen van de verzekeringsstatus.
De verdachte had verzocht om vernietiging van het arrest en terugwijzing voor herbehandeling, maar dit werd niet toegewezen. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken op 13 december 2016.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard en de veroordeling wegens rijden in een onverzekerde auto blijft in stand.