ECLI:NL:HR:2016:3387

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 december 2016
Publicatiedatum
3 maart 2017
Zaaknummer
16/00066
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 359 SvArt. 415 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onvoldoende belang en gebrek aan overtuigend bewijs in drugshandelzaak

De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij schuldig werd bevonden aan straatverkoop van heroïne en cocaïne en bezit van heroïne. Namens de verdachte werd een schriftuur ingediend waarin onder meer werd betoogd dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met alternatieve scenario's en dat de drugs niet bij de verdachte was aangetroffen.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de verdachte onvoldoende belang had bij het beroep of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden. Het hof had volgens de Hoge Raad ten onrechte geen duidelijke motivering gegeven voor de schuldvaststelling en was voorbijgegaan aan de stellingen van de verdachte dat de drugs niet van hem afkomstig waren.

Er ontbrak overtuigend bewijs dat de verdachte de drugs in bezit had of dat hij deze op de grond had gegooid. De Hoge Raad verklaarde daarom het cassatieberoep niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee het arrest van het hof.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en gebrek aan overtuigend bewijs.

Uitspraak

13 december 2016
Strafkamer
nr. S 16/00066
AJ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 8 december 2015, nummer 23/000059-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 december 2016.
Edelhoogachtbaar college,
Middel:
l. Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt.
In het bijzonder zijn de artt. 359 en 415 Sv. geschonden.
Toelichting:
Ten onrechte heeft het gerechtshof de verdachte schuldig bevonden aan de straatverkoop van heroïne en cocaïne en dat hij in het bezit was van een hoeveelheid heroïne.
Er is ter zake geen duidelijke motivering daarover gegeven. Verzoeker is immers van oordeel dat hij onschuldig is. Immers de drugs was niet bij hem aangetroffen. Er zijn meerdere scenario’s denkbaar omtrent de aangetroffen drugs, waarmee het hof geen rekening heeft gehouden. Ten onrechte is het hof voorbijgegaan aan de bewering van verzoeker, dat de drugs die aangetroffen is bij [betrokkene] niet afkomstig is van verzoeker althans is zulks op generlei wijze bewezen of aangetoond. [betrokkene] was ook niet bekend met het telefoonnummer van verzoeker, zodat er geen link dan wel een causaal verband kan worden gemaakt tussen de enige daad van verzoeker en de aanwezigheid of het hebben/in het bezit zijn van de drugs. Er is mitsdien geen sprake van enig overtuigend bewijs en verzoeker acht zich ten onrechte daarvoor veroordeeld. Ook ten aanzien van de drugs die op de grond is aangetroffen ontbreekt elk bewijs dat verzoeker zulks op de grond zou hebben gegooid; ook hier ontbreekt het causaal verband en is er slechts sprake van een subjectief vermoeden, doch geen wettig en overtuigend bewijs.