ECLI:NL:HR:2016:3388

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 december 2016
Publicatiedatum
3 maart 2017
Zaaknummer
16/00281
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens gebrek aan belang en onvoldoende gronden

In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. Het cassatieberoep betrof onder meer het betwisten van de wederrechtelijkheid van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de motivering van de proeftijd van drie jaar.

De Hoge Raad heeft het beroep onderzocht en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk, conform artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie, en na advies van de Procureur-Generaal. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer.

De zaak betreft onder meer een contactverbod dat was opgelegd voor een beperkte periode en de vraag of het contact tussen partijen noodzakelijk was vanwege de kinderen. Ook is de motivering van de proeftijd van drie jaar aan de orde geweest, waarbij het hof onvoldoende heeft toegelicht waarom deze duur is gekozen.

De Hoge Raad heeft echter geen aanleiding gezien om het cassatieberoep inhoudelijk te behandelen en heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en onvoldoende gronden.

Uitspraak

13 december 2016
Strafkamer
nr. S 16/00281
NA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 30 december 2015, nummer 23/002074-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.G. Meijer, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 december 2016.
[verdachte], wonende aan de [a-straat 1] te [woonplaats];
dat requirant van cassatie van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof Amsterdam (parketnummer 23/002074-15), uitgesproken op 30 december 2015 de volgende middelen voor cassatie voordraagt:
Eerste middel:
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, dan wel verzuim van vormen doordat het Hof heeft nagelaten uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen op het verweer dat in de gegeven omstandigheden geen sprake is van "wederrechtelijk" inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster in de periode 9 augustus 2013 tot en met februari 2014.
Toelichting:
Er is geen sprake van wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster in de onderhavige periode. Het contact tussen verdachte en aangeefster is ten behoeve van de omgang met de kinderen, gezien het feit dat de oudste zoon bij verdachte woont en de jongste zoon bij aangeefster. Er is derhalve sprake van noodzakelijk contact omwille van de kinderen en niet van een "wederrechtelijke" inbreuk.
Hierbij is tevens het verweer gevoerd dat het contactverbod van de rechtbank Amsterdam (voorzieningenrechter) op 13 augustus 2013 is opgelegd voor een periode van vier maanden (te weten tot 13 december 2013), waarna geen verlenging heeft plaatsgevonden. Dit contactverbod heeft derhalve slechts betrekking op de periode 13 augustus 2013 tot 13 december 2013 en niet op de gehele periode.
Tweede middel:
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, dan wel verzuim van vormen doordat het Hof een proeftijd van drie jaar heeft bepaald, terwijl het opleggen van een proeftijd van drie jaar niet of niet voldoende is gemotiveerd.
Toelichting:
Het Hof heeft bepaald dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich gedurende de proeftijd van drie jaar niet houdt aan de opgelegde algemene en bijzondere voorwaarden. Het Hof heeft hierbij niet gemotiveerd waarom een proeftijd van drie jaar is opgelegd in plaats van een proeftijd van twee jaar.