Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
13 december 2016.
Hoge Raad
In deze zaak is de verdachte in hoger beroep door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de diefstal van een aanhangwagen op 23 oktober 2014 te Fijnaart. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De Hoge Raad beoordeelde het beroep en oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad constateerde dat het Gerechtshof onvoldoende en onbegrijpelijk had gemotiveerd waarom de diefstal op 23 oktober 2014 had plaatsgevonden en waarom de verdachte samen met een ander de aanhangwagen had gestolen. Ook was onvoldoende gemotiveerd waarom geen ruimte was voor de door de verdachte bepleite taakstraf, ondanks persoonlijke omstandigheden zoals het zijn van mantelzorger en het feit dat hij als zzp'er zijn kost verdiende.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie niet-ontvankelijk en handhaafde daarmee het arrest van het Gerechtshof. De schriftuur van de advocaat van de verdachte, waarin deze motieven en alternatieven aanvoerde, werd aan het arrest gehecht maar leidde niet tot een andere uitkomst.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de veroordeling tot gevangenisstraf blijft in stand.