Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
20 december 2016.
Hoge Raad
De verdachte heeft cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 25 september 2015. Het beroep richt zich met name op het oordeel van het hof over het strafmaatverweer, waarbij de verdediging medische omstandigheden aanvoerde die volgens hen onvoldoende in de strafmotivering waren betrokken.
De verdediging stelde dat het hof geen rekening had gehouden met de detentieongeschiktheid van de verdachte en zijn verblijf in een justitieel centrum voor somatische zorg. Volgens de verdediging was de strafmotivering onvoldoende omdat het hof deze omstandigheden niet benoemde en het gebruik van de term "alles overwegende" geen deugdelijke motivering vormde.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de verdachte onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Buruma en Van den Brink, en uitgesproken op 20 december 2016.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en onvoldoende gemotiveerd strafmaatverweer.