Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
4 maart 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond de tussentijdse beëindiging van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) centraal, nadat verzoekster was verhuisd naar Bonaire. De rechtbank Amsterdam en het gerechtshof Amsterdam hadden eerder uitspraken gedaan over deze kwestie. Verzoekster stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof.
De Procureur-Generaal stelde toepassing van artikel 80a lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) voor, waarmee de Hoge Raad kan bepalen dat een cassatieberoep niet-ontvankelijk is als het belang onvoldoende is of de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. De Hoge Raad heeft dit standpunt gevolgd.
De Hoge Raad oordeelde dat verzoekster onvoldoende belang had bij het cassatieberoep en dat de aangevoerde klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie konden leiden. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest werd uitgesproken door de vice-president namens de raadsheren.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en gebrek aan cassatiegronden.