ECLI:NL:HR:2016:36

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 januari 2016
Publicatiedatum
14 januari 2016
Zaaknummer
15/00562
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof en Rechtbank inzake belasting personenauto’s en motorrijwielen

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende de aanslagen belasting personenauto’s en motorrijwielen. De Staatssecretaris van Financiën voerde verweer. De Hoge Raad verwees naar een gelijktijdig arrest (nr. 15/00576) waarin soortgelijke gronden zijn behandeld.

De Hoge Raad oordeelde dat de middelen I en II gegrond zijn en dat het arrest van het Hof niet in stand kan blijven. Omdat de Inspecteur de bezwaren niet inhoudelijk had beoordeeld, vernietigde de Hoge Raad ook de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur. De Inspecteur werd opgedragen de bezwaren opnieuw inhoudelijk te behandelen.

Verder veroordeelde de Hoge Raad de Staatssecretaris en de Inspecteur in de proceskosten van het cassatie- en lagere gedingen, en bepaalde vergoedingen voor griffierechten en kosten van rechtsbijstand. Het arrest werd in aanwezigheid van de raadsheren en de griffier op 15 januari 2016 uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, eerdere uitspraken vernietigd en de Inspecteur opgedragen de bezwaren opnieuw inhoudelijk te beoordelen.

Uitspraak

15 januari 2016
Nr. 15/00562
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] h.o.d.n. [A]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 6 januari 2015, nrs. 13/01198 en 13/01269, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 12/2327 en AWB 12/2454) betreffende op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
De middelen I en II slagen op de gronden die zijn vermeld in onderdeel 2.4 van het heden in de zaak met nummer 15/00576 tussen dezelfde partijen uitgesproken arrest van de Hoge Raad.
2.2.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De overige middelen behoeven geen behandeling. Gelet op de omstandigheid dat de Inspecteur de bezwaren niet inhoudelijk heeft beoordeeld, worden de uitspraken van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur ook vernietigd en wordt de Inspecteur opgedragen opnieuw uitspraken op bezwaar te doen.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in cassatie de zaken met de nummers 15/00562, 15/00563, 15/00564, 15/00566, 15/00570, 15/00576 en 15/00577 samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht, bij het Hof de zaken met de nummers 13/01198, 13/01269, 13/01279 tot en met 13/01283, 14/00019 tot en met 14/00026, 14/00115 tot en met 14/00127 en 14/00152 samenhangen.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraken van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur,
draagt de Inspecteur op om met inachtneming van dit arrest opnieuw uitspraken te doen op de bezwaarschriften van belanghebbende,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 248,
gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaken voor het Hof ten bedrage van € 717, en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaken voor de Rechtbank ten bedrage van € 312,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een zevende van € 2976, derhalve € 425,14, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van de gedingen voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op twee maal een negenentwintigste van € 1488, derhalve € 102,62, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de kosten van de gedingen voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2016.