Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
8 maart 2016.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake een schietpartij in een café te Rotterdam waarbij voorwaardelijk opzet op de dood werd vastgesteld.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden.
Gelet op artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Hiermee blijft het arrest van het gerechtshof in stand.
Het arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 8 maart 2016.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard door de Hoge Raad.