ECLI:NL:HR:2016:394

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 maart 2016
Publicatiedatum
10 maart 2016
Zaaknummer
14/06071
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing Nederlands recht bij bestuurdersaansprakelijkheid

In deze zaak stond de vraag centraal of de aansprakelijkheid van bestuurders ambtshalve moest worden beoordeeld naar Nederlands of Arubaans recht. De zaak betrof een geschil tussen eiser en Boekel de Nerée N.V. (BDN). De feiten en eerdere vonnissen werden door de Hoge Raad overgenomen uit eerdere instanties, waaronder de rechtbank Amsterdam en het gerechtshof Amsterdam.

Het hof had het geschil behandeld en een arrest gewezen waarbij de toepasselijkheid van het Nederlandse recht werd gehanteerd. Eiser stelde in cassatie dat het hof ambtshalve de aansprakelijkheid naar Arubaans recht had moeten beoordelen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat het niet nodig was om de rechtsvragen nader te motiveren, omdat deze niet van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad verwierp het beroep van eiser en veroordeelde hem in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee werd het arrest van het hof bekrachtigd en bleef de aansprakelijkheid van bestuurders beoordeeld onder Nederlands recht.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aansprakelijkheid wordt beoordeeld naar Nederlands recht.

Uitspraak

11 maart 2016
Eerste Kamer
14/06071
EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. M.E. Bruning,
t e g e n
BOEKEL DE NERÉE N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaten: mr. D. Rijpma en mr. M.S. van der Keur.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en BDN.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 491756/HA ZA 11-1787 van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2011, 21 maart 2012 en 5 december 2012;
b. het arrest in de zaak 200.124.642/01 van het gerechtshof Amsterdam van 19 augustus 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
BDN heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor BDN toegelicht door haar advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van15 januari 2016 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van BDN begroot op € 2.629,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
11 maart 2016.