Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
11 maart 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het cassatieberoep van eiser ontvankelijk was tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam dat ging over de belemmering van doorgang langs een door de rechter aangewezen noodweg, in het kader van burenrecht en goederenrecht.
Eiser had beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof, maar verweerder was niet verschenen in cassatie. De Procureur-Generaal adviseerde om het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO), omdat eiser klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden.
De Hoge Raad heeft het standpunt van de Procureur-Generaal gevolgd en het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tevens is eiser veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, die aan de zijde van verweerder nihil zijn begroot. De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van artikel 80a lid 1 RO bij cassatieberoepen die onvoldoende belang of gegronde klachten missen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of gebrek aan gegronde klachten.