ECLI:NL:HR:2016:406

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 2016
Publicatiedatum
15 maart 2016
Zaaknummer
14/04141
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 SrArt. 365a SvArt. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 14 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende bewijs deelneming criminele organisatie

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie gericht op de handel in hennep en hasjiesj in de periode van 19 juli 2012 tot en met 27 november 2012. De Hoge Raad toetste het cassatieberoep van de verdachte tegen dit oordeel.

De Hoge Raad overwoog dat deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr Pro vereist dat de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in of ondersteunt gedragingen die strekken tot het verwezenlijkte oogmerk. Uit de bewijsvoering bleek dat de verdachte als voormalig leidinggevende of baliemedewerker betrokken was bij een coffeeshop en dat op zijn niet door hem bewoonde adres drugs werden aangetroffen. Dit was echter onvoldoende om te concluderen dat hij deelnam aan de criminele organisatie.

De bewezenverklaring was daarom niet naar de eis der wet met redenen omkleed. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor het onderdeel deelneming aan de organisatie en de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor het onderdeel deelneming aan de criminele organisatie en terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

15 maart 2016
Strafkamer
nr. S 14/04141
DAZ/SG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 14 juli 2014, nummer 21/009376-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Blijkens de daarvan opgemaakte akten is het beroep niet gericht tegen "de partiële vrijspraak ten aanzien van het witwassen van geld onder feit 1". Aan deze beperking moet evenwel, gelet op HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610, worden voorbijgegaan.
Namens de verdachte heeft M. Berndsen, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch alleen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste middel

2.1.
Het middel klaagt onder meer dat de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde ten aanzien van het "deelnemen aan een criminele organisatie" ontoereikend is gemotiveerd.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 19 juli 2012 tot en met 27 november 2012 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit hem, verdachte, en [medeverdachte 7] en [betrokkene 2] en [betrokkene 1] en andere natuurlijke personen welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:
- het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van (grote hoeveelheden) hennep en/of hasjiesj (steeds meer dan 30 gram)."
2.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv, welke gedeeltelijk zijn weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 14.
2.3.
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140 Sr Pro slechts dan sprake kan zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk (vgl. HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264).
2.4.
Uit de bewijsvoering kan naar de kern worden afgeleid dat de verdachte als voormalig leidinggevende of baliemedewerker betrokken is geweest bij een coffeeshop, dat hij een broer is van medeverdachten van handel in hennep en hasjiesj en dat op zijn - niet door hemzelf bewoonde - GBA-adres hasjiesj, weed en vooraf gedraaide joints zijn aangetroffen. Daaruit kan evenwel nog niet volgen dat de verdachte behoorde tot een op de handel in hennep en hasjiesj gericht samenwerkingsverband en dat hij een aandeel heeft gehad in, of heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaande oogmerk en derhalve in de bewezenverklaring vermelde periode aan die organisatie heeft "deelgenomen" in de hiervoor bedoelde betekenis. De bewezenverklaring van feit 1 is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het middel is terecht voorgesteld.

3.Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 maart 2016.