Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
15 maart 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie gericht op de handel in hennep en hasjiesj in de periode van 19 juli 2012 tot en met 27 november 2012. De Hoge Raad toetste het cassatieberoep van de verdachte tegen dit oordeel.
De Hoge Raad overwoog dat deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr Pro vereist dat de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in of ondersteunt gedragingen die strekken tot het verwezenlijkte oogmerk. Uit de bewijsvoering bleek dat de verdachte als voormalig leidinggevende of baliemedewerker betrokken was bij een coffeeshop en dat op zijn niet door hem bewoonde adres drugs werden aangetroffen. Dit was echter onvoldoende om te concluderen dat hij deelnam aan de criminele organisatie.
De bewezenverklaring was daarom niet naar de eis der wet met redenen omkleed. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor het onderdeel deelneming aan de organisatie en de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor het onderdeel deelneming aan de criminele organisatie en terugverwezen voor hernieuwde berechting.