Belanghebbende, woonachtig in Nederland, verrichtte in 2009 gedurende 89 dagen als zelfstandige reparatiewerkzaamheden aan een drijvende tankopslag in de territoriale wateren van India. Deze werkzaamheden werden op projectbasis uitgevoerd zonder vaste arbeidsperiode.
Het geschil betrof de vraag of belanghebbende recht had op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting op grond van artikel 14, lid 1, letter a, van het Belastingverdrag Nederland-India, waarbij het begrip 'vast middelpunt' centraal stond. Het Hof oordeelde dat ondanks het verblijf op het schip en de aard van de werkzaamheden, geen sprake was van een vast middelpunt vanwege het tijdelijke en eenmalige karakter van de werkzaamheden.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte dat het begrip 'vast middelpunt' moet worden uitgelegd aan de hand van het OESO- en VN-modelverdrag en de daarbij behorende commentaren. Daarbij is vereist dat de werkzaamheden duurzaam zijn en niet louter tijdelijk. De Hoge Raad vond geen aanleiding om het oordeel van het Hof te vernietigen en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.