Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 4 september 2015, nr. BK-15/00251, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van het Hof van 2 juni 2015.
Hoge Raad
Belanghebbende had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en een termijn van vier weken gesteld. Deze brief werd wegens onbestelbaarheid teruggezonden, waarna adresverificatie plaatsvond en de brief per gewone post werd verzonden.
Het griffierecht werd niet betaald. Vervolgens heeft de griffier belanghebbende opnieuw bij aangetekende brief verzocht om opgave waarom het griffierecht niet tijdig was voldaan. Ook deze brief werd wegens onbestelbaarheid teruggezonden en opnieuw per gewone post verzonden. Belanghebbende heeft niet gereageerd.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad achtte geen gronden aanwezig om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest werd op 18 maart 2016 uitgesproken door de raadsheren Schaap, Groeneveld en van Hilten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van griffierecht.