De zaak betreft de uitleg van een testament waarin de erflater een ouderlijke boedelverdeling heeft getroffen en een verplichting tot zekerheidstelling voor een vordering uit overbedeling heeft opgenomen. De dochter vordert zekerheidstelling van de moeder, de echtgenote van de erflater, voor een bedrag van €56.002,--. De rechtbank wees deze vordering toe, maar het hof wees deze af omdat de dochter de zekerheidstelling niet binnen de in het testament genoemde termijn van een jaar na overlijden had verlangd.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de voorwaarde van zekerheidstelling binnen een jaar na overlijden niet meer vervulbaar was en daarom voor niet geschreven moest worden gehouden. De beoordeling van de vervulbaarheid van de voorwaarde moet plaatsvinden op het tijdstip van overlijden van de erflater, en op dat moment was het niet onmogelijk om de akte binnen een jaar te verlijden.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling, waarbij nader moet worden onderzocht welke gevolgen verbonden zijn aan het feit dat de termijn van een jaar is overschreden. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de moeder in de kosten van het cassatiegeding.