Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2016:477

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 maart 2016
Publicatiedatum
24 maart 2016
Zaaknummer
14/06280
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.8 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermogensetikettering van onroerende zaken bij verhuur en duurzaam gebruik in onderneming

Belanghebbende, die sinds 1985 een onderneming drijft, kocht in 1995 een complex met bedrijfsruimten en verhuurde deze aan zijn vader, die het vervolgens onderverhuurde aan de onderneming. Het geschil betreft de vermogensetikettering van twee terreinen binnen dit complex, waarvan terrein 2 door het hof als privévermogen werd aangemerkt omdat het louter ter belegging was aangeschaft en verhuurd aan de vader.

De Inspecteur belastte de winst uit de verkoop van het complex, inclusief terrein 2, als winst uit onderneming. Het hof oordeelde echter dat terrein 2 privévermogen was omdat belanghebbende het als particulier verhuurde. De Hoge Raad overweegt dat bij de vraag of een vermogensbestanddeel tot het ondernemingsvermogen behoort, de wil van de belastingplichtige beslissend is, tenzij dit onredelijk is.

De Hoge Raad stelt dat als een belastingplichtige duurzaam kan beschikken over een onroerende zaak die hij verhuurt maar feitelijk gebruikt voor zijn onderneming, dit gedeelte tot het ondernemingsvermogen behoort. Het hof heeft dit onjuist beoordeeld voor terrein 2. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van de vermogensetikettering van terrein 2 en de gevolgen voor de aanslag.

De Hoge Raad wijst proceskostenveroordeling af en bepaalt dat het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren op 25 maart 2016.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

25 maart 2016
nr. 14/06280
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof 's‑Hertogenboschvan 6 november 2014, nr. 13/1102, op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 12/4198) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2008 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende dreef sinds 1985 een onderneming, aanvankelijk tezamen met zijn vader in de vorm van een maatschap en met ingang van 1 januari 1996 als eenmanszaak. De onderneming werd vanaf 1992 uitgeoefend op een terrein met bedrijfsruimte dat door de vader werd gehuurd van een derde en dat vervolgens door de vader werd onderverhuurd, aanvankelijk aan de maatschap en vanaf 1 januari 1996 aan belanghebbende. De huurovereenkomst tussen de vader en de derde kon door elk van de partijen worden opgezegd met inachtneming van een termijn van zes maanden.
2.1.2.
Het hiervoor in 2.1.1 bedoelde terrein (hierna: terrein 1) maakte deel uit van een groter complex van bedrijfsruimten en bedrijfsterreinen (hierna: het complex). In 1995 heeft belanghebbende het complex gekocht en geleverd gekregen. Na de aankoop heeft hij als nieuwe eigenaar van het complex met ingang van 1 augustus 1995 een nieuwe huurovereenkomst met zijn vader gesloten, waarbij naast terrein 1 nog een ander gedeelte van het complex (hierna: terrein 2) werd verhuurd. Bij akte van 26 juli 1995 is de tussen de vader en de maatschap bestaande overeenkomst van onderverhuur vernieuwd, waarbij zowel terrein 1 als terrein 2 aan de maatschap werd onderverhuurd. Sindsdien zijn beide terreinen gebruikt ten behoeve van de hiervoor in 2.1.1 bedoelde onderneming.
2.1.3.
In 2008 heeft belanghebbende het complex met winst verkocht aan een derde. De Inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat het gedeelte van de winst dat kan worden toegerekend aan de terreinen 1 en 2 is belast als winst uit de door belanghebbende gedreven onderneming.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de terreinen 1 en 2 verplicht privévermogen vormen, omdat belanghebbende deze terreinen louter ter belegging heeft aangekocht en deze als particulier heeft verhuurd aan zijn vader. Aan dit oordeel doet niet af de omstandigheid dat de beide terreinen worden gebruikt in de onderneming van belanghebbende, aldus het Hof. Het middel bestrijdt dit oordeel voor zover het betrekking heeft op terrein 2.
2.3.
Bij de beantwoording van de vraag of een vermogensbestanddeel deel uitmaakt van het ondernemingsvermogen van een belastingplichtige dan wel van zijn privévermogen, is in het algemeen beslissend de wil van die belastingplichtige zoals die in zijn boekhouding of op andere wijze tot uiting is gekomen, tenzij daardoor de grenzen der redelijkheid zouden zijn te buiten gegaan (zie HR 20 juni 1962, nr. 14819, BNB 1962/272).
In een geval waarin een belastingplichtige een onderneming uitoefent, zal een ter belegging aangeschafte onroerende zaak of een zelfstandig rendabel te maken gedeelte daarvan in het algemeen verplicht tot het privévermogen van de belastingplichtige moeten worden gerekend, aangezien het beleggen van gelden in het algemeen onvoldoende raakvlakken zal hebben met de bedrijfsuitoefening om een keuze tot bedrijfsvermogen te rechtvaardigen (zie HR 29 juni 2012, nr. 11/03295, ECLI:NL:HR:2012:BV8954, BNB 2012/243). Dit laatste is evenwel anders in een geval als het onderhavige, waarin een belastingplichtige die een onderneming drijft een zelfstandig rendabel te maken gedeelte van een onroerende zaak na de aanschaffing ervan weliswaar verhuurt maar hij over dat gedeelte toch duurzaam kan blijven beschikken krachtens een overeenkomst van onderhuur en het feitelijk gebruikt ten behoeve van de door hem gedreven onderneming. In een dergelijk geval dient het desbetreffende gedeelte van de onroerende zaak tot het ondernemingsvermogen van de belastingplichtige te worden gerekend.
2.4.
Gelet op het hiervoor in 2.3 overwogene getuigt het door het middel bestreden oordeel van het Hof van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt in zoverre en behoeft voor het overige geen behandeling. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven en verwijzing moet volgen. Aangezien de Staatssecretaris zijn beroep in cassatie heeft beperkt tot terrein 2, is het geschil na verwijzing beperkt tot een hernieuwde beoordeling van de vermogensetikettering van terrein 2 en de gevolgen daarvan voor de hoogte van de onderhavige aanslag.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2016.