ECLI:NL:HR:2016:489

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 maart 2016
Publicatiedatum
24 maart 2016
Zaaknummer
15/03452
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake belastingaanslagen en boetebeschikkingen

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 juni 2015, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Noord-Holland betreffende naheffingsaanslagen omzetbelasting, aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en loonbelasting/premie volksverzekeringen, alsmede boetebeschikkingen, had behandeld.

De Hoge Raad heeft de ingediende klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was nadere motivering niet vereist omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Dit arrest is gewezen door de vice-president Overgaauw als voorzitter en de raadsheren Van Vliet en Punt, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2016.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

25 maart 2016
Nr. 15/03452
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 18 juni 2015, nrs. 14/00422 tot en met 14/00426, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. AWB 13/2434 tot en met AWB 13/2438) betreffende de aan belanghebbende over de periode 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 en over de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting, de voor het jaar 2004 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de voor het jaar 2005 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de over de periode tijdvak 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen, en de daarbij gegeven boetebeschikkingen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2016.