Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Overijsselvan 23 juni 2015, nr. AWB 15/32, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 29 april 2015.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Overijssel. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en een termijn van vier weken gesteld voor betaling. Deze betaling is niet voldaan. Vervolgens is belanghebbende opnieuw in de gelegenheid gesteld om een verklaring te geven voor het niet tijdig betalen, maar hiervan is geen gebruik gemaakt.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Het arrest is gewezen door de raadsheren C. Schaap, Th. Groeneveld en M.E. van Hilten en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2016.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.