Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 1 oktober 2015, nr. SGR 15/2970 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 5 juni 2015.
Hoge Raad
In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag betreffende een verzetprocedure. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het beroep in cassatie ontvankelijk is. De Raad concludeerde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 25 maart 2016 door de raadsheren C. Schaap (voorzitter), Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, in aanwezigheid van de waarnemend griffier F. Treuren.
Deze beslissing betekent dat de Hoge Raad de zaak niet inhoudelijk heeft behandeld en het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaarde, waarmee de uitspraak van de lagere rechter in stand blijft.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.