ECLI:NL:HR:2016:51

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 januari 2016
Publicatiedatum
14 januari 2016
Zaaknummer
15/00564
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof en Rechtbank inzake belasting personenauto’s en motorrijwielen

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de Rechtbank Gelderland over de belasting op personenauto’s en motorrijwielen. De Hoge Raad heeft het beroep gegrond verklaard en de eerdere uitspraken vernietigd.

De Hoge Raad overwoog dat het Hof ten onrechte de bezwaren van belanghebbende niet inhoudelijk heeft beoordeeld. Hierdoor konden de uitspraken van zowel het Hof, de Rechtbank als de Inspecteur niet in stand blijven. De Inspecteur werd opgedragen om met inachtneming van het arrest opnieuw uitspraken op bezwaar te doen.

Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën en de Inspecteur in de proceskosten, waaronder griffierechten en kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De zaak betreft meerdere samenhangende procedures bij Hof en Rechtbank.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en vier raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, op 15 januari 2016.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, eerdere uitspraken worden vernietigd en de Inspecteur wordt opgedragen opnieuw uitspraken op bezwaar te doen.

Uitspraak

15 januari 2016
Nr. 15/00564
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] h.o.d.n. [A]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 6 januari 2015, nrs. 14/00115, 14/00116 en 14/00123 tot en met 14/00127, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 12/2420, AWB 12/2421, AWB 12/2455, AWB 12/2509, AWB 12/2510, AWB 12/2511 en AWB 12/2513) betreffende op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
De middelen I en II slagen op de gronden die zijn vermeld in onderdeel 2.4 van het heden in de zaak met nummer 15/00576 tussen dezelfde partijen uitgesproken arrest van de Hoge Raad.
2.2.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De overige middelen behoeven geen behandeling. Gelet op de omstandigheid dat de Inspecteur de bezwaren niet inhoudelijk heeft beoordeeld, worden de uitspraken van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur ook vernietigd en wordt de Inspecteur opgedragen opnieuw uitspraken op bezwaar te doen.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in cassatie de zaken met de nummers 15/00562, 15/00563, 15/00564, 15/00566, 15/00570, 15/00576 en 15/00577 samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht, bij het Hof de zaken met de nummers 13/01198, 13/01269, 13/01279 tot en met 13/01283, 14/00019 tot en met 14/00026, 14/00115 tot en met 14/00127 en 14/00152 samenhangen, en bij de Rechtbank de zaken met de nummers AWB 12/2420 tot en met AWB 12/2422, AWB 12/2446 tot en met AWB 12/2449, AWB 12/2453, AWB 12/2455, AWB 12/2509 tot en met AWB 12/2511 en AWB 12/2513 samenhangen.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraken van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur,
draagt de Inspecteur op om met inachtneming van dit arrest opnieuw uitspraken te doen op de bezwaarschriften van belanghebbende,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 248,
gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaken voor het Hof ten bedrage van € 246, en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaken voor de Rechtbank ten bedrage van € 1092,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een zevende van € 2976, derhalve € 425,14, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van de gedingen voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op zeven maal een negenentwintigste van € 1488, derhalve € 359,17, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de kosten van de gedingen voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op zeven maal een dertiende van € 1488, derhalve € 801,23, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2016.