Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
29 maart 2016.
Hoge Raad
De klager heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant betreffende een klaagschrift op grond van artikel 552a Sv. Echter heeft de klager niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman schriftelijke middelen van cassatie ingediend, zoals vereist op grond van artikel 447, vijfde lid, Sv.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en geoordeeld dat het ontbreken van middelen van cassatie betekent dat het beroep niet ontvankelijk is. Hierdoor kan de Hoge Raad niet inhoudelijk op het beroep ingaan.
De beschikking is uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad tijdens een openbare terechtzitting op 29 maart 2016. De klager is daarmee niet ontvankelijk verklaard in het beroep in cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de klager niet-ontvankelijk in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen van cassatie.