Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
5 april 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd vervolgd wegens het overdragen van geldbedragen waarvan hij wist dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten witwassen. Het hof Arnhem-Leeuwarden verwierp het verweer van de verdachte dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van de inkeerregeling uit artikel 69, derde lid, AWR, omdat de verdachte niet zelf belastingplichtig was.
De verdediging stelde dat de inkeerregeling ook op de verdachte van toepassing moest zijn omdat hij namens zijn moeder de fiscale zaken had afgewikkeld en open kaart had gespeeld richting de fiscus. De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat in principe alleen de schuldige, meestal de belastingplichtige, van de inkeerregeling kan profiteren, maar onder bijzondere omstandigheden ook anderen die hebben bijgedragen aan de gedraging.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de inkeerregeling niet op de verdachte van toepassing is en dat onder bijzondere omstandigheden vervolging wegens witwassen niet alsnog kan worden ingesteld als het fiscale misdrijf niet vervolgd kan worden. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de tenlastelegging en strafoplegging betreft en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.
Het overige beroep wordt verworpen. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij toepassing van de inkeerregeling en de relatie tussen fiscale vervolging en vervolging wegens witwassen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting van het witwasdelict.