Belanghebbende, [X] B.V., stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 mei 2015, waarin een verzoek om een beschikking op grond van artikel 21, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 was afgewezen.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en een conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling van de ingediende middelen oordeelde de Hoge Raad dat deze middelen niet tot cassatie konden leiden. De Hoge Raad vond geen noodzaak tot nadere motivering omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Verder besloot de Hoge Raad geen proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president Overgaauw en raadsheren Bavinck en van Kalmthout, en het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.