Belanghebbende was tot 31 juli 2007 enig aandeelhouder en bestuurder van [A] BV, die een verhuurde onroerende zaak verkocht met boekwinst. Na verkoop nam belanghebbende de boekwinst in rekening-courant op. Op 31 juli 2007 verkocht belanghebbende haar aandelen aan [F] BV, die deels betaalde door schuldovername en deels in geld. Na aandelenoverdracht kocht [A] BV onroerende zaken waarop hypotheken en beslagen rustten ten behoeve van schuldeisers van een derde vennootschap binnen hetzelfde concern.
De vennootschapsbelastingaanslag over 2007 werd ambtshalve vastgesteld inclusief de boekwinst, maar bleef onbetaald. De ontvanger stelde belanghebbende aansprakelijk op grond van artikel 40, lid 1, Invorderingswet 1990. Het hof vernietigde deze aansprakelijkstelling, oordelend dat de wet geen aansprakelijkheid van rechtspersonen toestaat en dat belanghebbende niet wist of behoorde te weten dat de koper of een derde door ongewone handelingen de verhaalsmogelijkheden zou frustreren.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aankoop van onroerende zaken met hypotheekrechten niet buiten de normale bedrijfsuitoefening zou zijn en waarom de stelling dat belanghebbende wist van onzakelijke handelingen onvoldoende is verworpen. Het arrest vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor hernieuwd onderzoek, met inachtneming dat de bewijslast voor disculpatie bij de aansprakelijkgestelde ligt. De Hoge Raad wijst proceskosten af.